De pijnlijke lessen werden niet vergeten.
De pijnlijke lessen van de eerste wereldoorlog zouden niet snel vergeten worden.
Er werden jaren besteedt om de lessen van deze oorlog te evalueren.
De Fransen trokken de conclusie dat iedere toekomstige oorlog volgens het model 1915 – 1917 zouden verlopen en bouwden daarom de ultieme loopgraaf, de Maginot linie.
Over het algemeen waren de legers in de periode van 1918 tot 1935 georganiseerd volgens het patroon van 1918.
De enorme voorraden aan wapens en munitie uit de eerste wereldoorlog zouden nog jaren lang de legers kunnen voorzien.
De tactische ontwikkeling bleef daardoor op het niveau van 1918.
De uitzondering was Duitsland.
Als verliezers van de oorlog werden de infanterie tactieken in dit land verder ontwikkeld.
Vanaf het begin van de herbewapening in de jaren 30 vertoonde de nieuwe Wehrmacht veel tactische vernieuwingen, welke door de Reichwehr in de jaren 20 waren ontwikkeld.
Deze bevatten voor het eerst in de geschiedenis een waardering voor de psychologische invloeden op mannen die in gevechtssituaties verkeerden.
Hierdoor was het mogelijk de wehrmacht een bevelstructuur te verschaffen welke niet geëvenaard werd tot 1944 – 1945.
Omdat Duitsland geen grote voorraad van wapens uit de eerste wereldoorlog meer had werd de Wehrmacht met nieuwe wapens uitgerust, met uitzondering van de geweren.
Bovendien was de kern van generaals uit de eerste wereldoorlog verwijderd die anders geprobeerd hadden de nieuwe infanterie tactieken in een 1916 model toe te passen.
Tevens erkende de wehrmacht dat de inmiddels wijd verspreide motorisering van de legers van grote invloed was op strategische beslissingen maar dat de infanterie nog steeds te voet zou moeten vechten.
Voor de herbewapening begon realiseerden de meeste legers zich dat, om de mobiliteit te handhaven, succesvolle infanterie tactieken kleinere, handzame infanterie eenheden nodig waren.
Voorheen was de tactische eenheid het peloton van 40 tot 60 manschappen.
In 1914 bestonden deze pelotons alleen uit geweerschutters en kon in het uiterste geval opgedeeld worden in twee tot vier kleinere eenheden.
Gezien de strategie van 1914 – 1918 kwam dit zelden voor.
In 1918 was ieder peloton minimaal voorzien van een automatisch wapen, handgranaten en geweergranaten maar de organisatie bleef hetzelfde.
In 1918 had het gebrek aan geschoold kader in veel gevallen tot gevolg dat de compagnie als de kleinste tactische eenheid werd gebruikt waardoor de situatie totaal onhandelbaar werd.
De opvolger van het peloton als kleinste tactische eenheid is de sectie.
Deze secties, ook wel sqauds genoemd, bestonden uit 8 tot 14 manschappen, waarbij 10 tot 12 manschappen gebruikelijk was.
Iedere sectie bevat dezelfde mix aan wapens als een peloton uit 1918, inclusief een automatisch wapen of een licht machinegeweer, de nodige grendelgeweren en handgranaten.
Vanaf 1938 was het machinepistool gereed voor massa productie en werd dit wapen toegevoegd aan het arsenaal van de infanterie sectie, met als opvallende uitzonderingen de Amerikaanse en Japanse infanterie.
De Duitsers, de Japanners en de Engelsen waren zich bewust van de invloed die de automatische wapens hadden op de slagvelden van de eerste wereldoorlog.
Daarom beschouwden ze deze automatische wapens als de kern van de infanterie.
De Duitsers maakten gebruik van groepspsychologie en vormde de sectie met een licht machinegeweer als uitgangspunt voor de groepsinspanning.
In de aanval en in de verdediging leverde deze lichte machinegeweren de vuurkracht terwijl de geweerschutters deze verdedigden of voor beweging zorgden.
Op een zelfde wijze vormden de Engelsen de sectie rond de Bren gun en ook de Japanse sectie werd rond een licht machinegeweer gevormd.
Dit waren lichte automatische wapens die door een man gedragen konden worden.
Aangezien de vuurkracht door deze automatische wapens geleverd werd hebben de Duitsers en Engelsen geen nieuwe geweren ontwikkeld.
De Amerikanen en de Russen gingen semiautomatische geweren gebruiken.
Deze maakten gebruik van de gasdruk in de loop om een nieuwe patroon te laden, hadden geen grendel, en konden zo snel schieten als de trekker kon worden overgehaald.
Omdat de Amerikanen en de Russen veel vertrouwen hadden in deze nieuwe geweren werd er minder aandacht besteed aan de automatische wapens zoals de Duitsers en de Engelsen deden.
De Amerikanen hadden zo veel vertrouwen in dit wapen dat machinepistolen alleen werden uitgereikt aan pantserinfanterie en luchtlandingeenheden.
Dit vertrouwen in semiautomatische wapens was grotendeels misplaatst.
Ze missen het psychologische effect van automatische wapens.
Bovendien werd het gebruik van automatische wapens op sectie niveau hierdoor belemmerd.
De Amerikanen hadden voldoende vuurkracht die door hogere niveaus geleverd kon worden om dit te compenseren maar de Russen waren al snel ontevreden over de prestaties van de semiautomatische wapens.
Het wapen was te complex voor de slecht getrainde Russische infanterie en na het eerste jaar van de oorlog werden er naast de semiautomatische wapens grote hoeveelheden machinepistolen en grendelgeweren uitgereikt.
Andere legers zoals de Italianen, Fransen en Polen gebruikten grendelgeweren.
Aangezien er in deze legers geen automatische wapens op sectie niveau uitgereikt werden beschikten deze legers niet over een van de twee voorgaande moderniteiten.
Bijna alle landen gebruikten drie secties per peloton, de uitzondering was Italië die meestal twee secties per peloton gebruikten.
Verder bestond het peloton uit een hoofdkwartier eenheid dat vaak een licht mortier, kaliber 45 tot 60 mm, een antitank geweer en/of een radio bevatte.
De radio was een van de belangrijkste vernieuwingen want deze overbrugde het gat in de communicatie tussen de pelotons en de hogere niveaus.
Voor de introductie van de radio was men afhankelijk van onbetrouwbare methodes zoals lichtsignalen, vlaggen of ordonnansen.
Met de radio vonden de communicaties efficiënt en direct plaats maar de voorgeschreven radio per peloton werd alleen door de westelijke geallieerden halverwege de oorlog behaald.
De Duitsers zouden het tijdens de oorlog niet bereiken en de Russen behaalden het pas in het begin van de jaren 50.
Ondanks het tekort aan radio’s hadden de Duitsers de communicatie op het slagveld geperfectioneerd tot een fijne kunst waardoor deze niet zou worden geëvenaard voordat de westelijke geallieerden over voldoende radio’s beschikten.
Tijdens het eerste jaar van de tweede wereldoorlog hebben de Duitsers het model neergezet voor de laat moderne infanterie tactieken.
De bevelstructuur werd niet geëvenaard totdat het hele leger, door gebrek aan ervaren kader personeel, zoals het hele Duitse rijk ineenstortte.
De wapens van het Duitse leger waren niet buitengewoon maar voldeden goed aan de behoefte.
De organisatie en de tactieken van de Duitse infanterie waren directe afstammelingen van de keizerlijke infanterie van 1918.
De basistactiek bestond, zoals bij de meeste legers, uit de infiltratie methode maar veel van de doorbraak en de daarop volgende uitbuiting taken van de infanterie waren overgegaan naar de gemechaniseerde formaties.
In 1941 bestond 18% van het totale leger uit dergelijke gemechaniseerde formaties die overigens weer grotendeels uit infanterie bestonden die alsnog te voet vochten.
De training en flexibiliteit van het Duitse leger stelde de bevelstructuur in staat in het veld eenheden samen te stellen voor specifieke taken.
Deze eenheden konden op alle niveaus worden samengesteld vanaf de sectie tot complete legerkorpsen.
Het betekent dat ze eenheden uit elkaar trokken en samenvoegden onder een andere bevelstructuur met een mix van verschillende wapens.
Dit was het – EINHART – principe en verschafte het Duitse leger grote tactische en strategische flexibiliteit.
Hierdoor kon de infanterie beter samenwerken met tanks en artillerie dan ieder ander leger in het begin van de oorlog.
In de aanval hielden de Duitse infanterie eenheden geen direct contact met elkaar en trokken in kleine groepen om de weerstandsnesten van de tegenstander heen zoals ze dat in 1918 ook gedaan hadden.
Ze vertrouwden er op dat de schok die de aanval veroorzaakte de tegenstander weinig ruimte bood om te reageren op deze scheiding van troepen.
Het Duitse leger gebruikte deze beweeglijke tactieken om voordeel te halen uit de mobiliteit en de flexibiliteit.
Het was alleen mogelijk dankzij uitgebreide training.
Met iedere sectie in het bezit van een machine geweer beschikte het Duitse leger over voldoende vuurkracht om de opmars van de infanterie te ondersteunen.
De offensieve tactieken van het Duitse leger waren alleen succesvol omdat ze de basis concepten hadden herkend en ingevoerd in de organisatie, met bijzondere aandacht voor flexibiliteit en mobiliteit.
Ze hielden het gevecht in beweging en maakten gebruik van andere wapens ter ondersteuning waar het mogelijk was.
Het Duitse leger was in staat dit te doen dankzij uitgebreide training, uitstekende bevelstructuur en verbeterde communicatiemiddelen.
Het had niets te maken met een betere bewapening.
In de verdediging waren de Duitsers sterk afhankelijk van de machinegeweren.
De machinegeweren werden opgesteld in weerstandsnesten, beschermd door de begeleidende infanterie.
De verschillende schietvelden overlapten elkaar waardoor er naar alle kanten een moordend kruisvuur gelegd kon worden.
Daarmee vertrouwden de Duitsers op de vuurkracht om de tegenstander ervan te weerhouden te infiltreren.
Als er voldoende troepen aanwezig waren, dit was zelden het geval na 1941, werd de verdediging in grote diepte opgesteld, met artillerie klaar om vuurkracht uit te brengen op vooraf bepaalde gebieden.
De specialiteit van de Duitsers was patrouilleren.
Patrouilles werden door alle legers uitgezonden, zowel overdag als in de nacht, voor verschillende redenen.
De meest voorkomende was de verkenning, een eenheid zonder verkenners is een eenheid zonder ogen.
Als de commandant de positie en de sterkte van de tegenstander kent is het gevecht half gewonnen.
Op hoger niveau zijn er andere methodes om informatie te verzamelen zoals inlichtingen diensten, vliegtuigen en speciale verkenning eenheden.
Voor de infanterie commandant is er maar een manier om te weten wat er in zijn zone afspeelt en dat is een verkenning patrouille.
Deze patrouilles ontmoetten vaak tegenstanders op een zelfde missie of op defensieve patrouille met de functie een gebied af te sluiten of vijandige patrouilles te onderscheppen.
Gelijksoortig aan de verkenning patrouille is de waarneming patrouille.
Deze wordt uitgezonden door een eenheid die onder vijandig vuur ligt en heeft de functie het gebied waaruit vijandig vuur is ontvangen te verkennen, te rapporteren waaruit de weerstand bestaat en eventueel noodzakelijke vuurkracht ondersteuning op te roepen.
Een patrouille die specifiek door de Duitsers en de Russen is gebruikt is de gevechtspatrouille.
Veel doelen waar de westelijk geallieerden artillerie voor gebruikten werd een gevechtspatrouille op af gestuurd.
Dit had meer slachtoffers tot gevolg maar spaarde de artillerie munitie die voor deze partijen soms waardevoller was.
Het laatste type patrouille was de hinderlaag patrouille maar deze werd op het west front niet veel gebruikt.
Het betekent dat de patrouille een geschikte plaats zoekt voor een hinderlaag en dan wacht op de tegenstander om er langs te komen zodat deze overvallen kan worden.
Dit type was alleen geschikt in gesloten terrein zoals jungle, dichte bossen of huis aan huis gevechten.
In de meeste gevallen gebruikten alle legers patrouilles om een beveiligde zone van twee kilometer voor de hoofdlijn op te zetten.
De patrouilles en vooruit geschoven posten hadden de taak vijandige patrouilles te beletten de hoofdlijn te verkennen.
De tegenstander waar de Duitse infanterie het meest mee te maken zou krijgen is de Russische infanterie.
Deze hadden in 1941 de tactische ideeën gebaseerd op de ideeën uit west Europa, in het bijzonder de Duitse tactische ideeën.
Het zou snel blijken dat de Russische infanterie niet over de training en over te weinig bekwaam personeel beschikte om het Duitse systeem te kunnen nastreven.
Het Russische leger probeerde het eindresultaat te kopiëren zonder daarvoor eerst de basis te leggen.
Zoals verwacht mocht worden waren de resultaten rampzalig.
Tijdens de Russisch – Finse oorlog (1939 – 1940) bleek de Russische infanterie een wanorde en bijzonder traag.
Het vormde een scherp contrast ten opzichte van de mobiele, meedogenloos toeslaande Finnen.
Deze stand van zaken binnen het Russische leger bestond tijdens de Duitse aanval nog steeds met als resultaat dat grote delen van het Russische leger vernietigd werd.
De Russen vertoonden echter een groot aanpassingsvermogen en wisten deze eerste nederlagen weer te boven te komen.
Ze improviseerden tactische systemen die beter pasten bij de aard van de Russische infanterie.
Er werd afstand genomen van de complex bewegingen van het Duitse voorbeeld en daarvoor in de plaats kwam de nadruk te liggen op massa en eenvoudige acties.
Hoewel de Russische tactische eenheden, van sectie tot compagnie, kleiner waren dan de Duitse tegenhangers had de Russische noodzaak tot concentratie van troepen tot gevolg dat de eenheden moeilijk hanteerbaar en log werden.
Zo zouden de Russen een compagnie van 150 manschappen nodig hebben waar de Duitsers een peloton van 40 manschappen voor gebruikten.
En waar de Duitse sectie gebruikt werd daar hadden de Russen een drie maal zo groot peloton voor nodig.
Deze centralisering van de bevelstructuur had tot gevolg dat de eenheden niet flexibel waren in het gevecht.
Had de eenheid een opdracht ontvangen dan moest die uitgevoerd worden en daarmee hield het op.
Eigen initiatieven werden ontmoedigd en de half getrainde commandanten moesten meer op tactische instincten vertrouwen dan op de ontvangen training.
Hoe langer een man bleef leven, des te actiever werd het instinct en zo vond de man zijn training in het gevecht zelf en niet achter de linies zoals de Duitsers en de Westelijke machten dit deden.
Het Russische leger legde veel druk op deze geconcentreerde bevelstructuur.
Dit was het tegenovergestelde van het einhart principe maar paste uitstekend bij de aard van de Russische infanterie.
Het resulteerde in een noodzaak voor het gebruik van een overmacht.
De gebruikte tactieken waren nog steeds gebaseerd op de infiltratie methode maar anders dan de Duitsers moesten de Russen deze tactieken opnieuw ontwikkelen.
Waar deze tactieken niet gebruikt konden worden, of snelheid geboden was, of de commandant het ontbrak aan inzicht zouden de Russen frontale aanvallen op de Duitse posities uitvoeren.
Deze werden gewoonlijk, zoals de aanvallen uit 1914 – 1918, terug geslagen maar als er een zwak punt in de Duitse verdediging gevonden werd dan infiltreerden de Russen daar door de Duitse linies heen.
Aangezien het overgrote deel van de troepen van beide partijen uit niet gemotoriseerde infanterie bestond was er weinig verschil met de gevechten uit de eerste wereldoorlog.
In de verdediging gebruikten de Russen, evenals de Duitsers, onafhankelijke, elkaar ondersteunende weerstandsnesten hoewel de Russen bij de opbouw van deze verdedigingen de vaardigheden van de Duitsers niet benaderden.
Echter zou de Russische soldaat, in de aanval en de verdediging, een dapperheid en wreedheid vertonen die de “beschaafde” Duitsers doodsbang maakte.
De Russen gebruikten de basis elementen van de tactieken binnen de eigen beperkingen.
Een simpel direct tactisch schema was de Russische kracht.
Vuurkracht en beweging werden gecombineerd op een unieke Russische manier.
Waar andere legers vuurkracht van hogere niveaus op riepen kon het Russische leger, vanwege de gebrekkige communicatie, deze coördinatie met de ondersteunende eenheden niet tot stand brengen.
Daarom werkte het Russische leger op een veel grotere schaal.
Terwijl de helft van een Duitse sectie voor vuurkracht zorgde kon de andere helft bewegen.
Bij de Russen zorgde een compagnie voor de vuurkracht zodat een andere compagnie kon bewegen.
Om dit mogelijk te maken dienden de Russische compagnieën zelfvoorzienend te zijn van vuurkracht.
Daarom werden ze uitgerust met grote aantallen mortieren.
Mortieren zijn, cent voor cent en granaat voor granaat, efficiënter dan artillerie.
De granaten produceren meer scherven, ze zijn makkelijk te verplaatsen en vragen weinig vaardigheden om mee te werken.
Deze factoren maakte ze perfect voor de Russische infanterie.
Om de vuurkracht van de Russische infanterie verder te vergroten werden er grote aantallen machine pistolen uitgereikt.
Dit was een verdere uitstekende aanpassing voor de typische aard van de Russische infanterie.
Het machine pistool is geen precies wapen en heeft geen ver bereik maar de gemiddelde Russische soldaat had onvoldoende training om voordeel te halen uit een precies wapen of een ver bereik.
Iedere soldaat kon met een machine pistool een grote hoeveelheid lood in de richting van een tegenstander sturen.
Met de aantallen die de Russen ter beschikking stonden moest dit in een effect resulteren, al was het alleen psychologisch.
Naast het uitreiken van machine pistolen aan de infanterie en de Garde werden er speciale machine pistool bataljons gevormd waarbij alle manschappen met een machine pistool was bewapend.
Deze Russische aanpassingen ontgingen de Duitsers niet en later in de oorlog zouden de Duitsers blijk geven dat ze de ideeën van andere net zo snel konden toepassen als dat ze eigen ideeën ontwikkelden.
Over de Engelse infanterie valt weinig meer te zeggen.
De tactische organisatie en de bewapening kwam overeen met het Duitse systeem.
Vanwege de minimale defensie budgetten die het leger ter beschikking had gestaan in de jaren tussen de twee wereldoorlogen was de bevelstructuur niet op de nieuwe situatie aangepast met als gevolg dat deze geïmproviseerd diende te worden.
De traditionele aandacht voor de schietoefeningen verhoogde de efficiency van de Engelse infanterie.
Helaas bleek het niet mogelijk deze uitgebreide training te handhaven in oorlogstijd.
Daarom werd de Engelse infanterie steeds meer afhankelijk van de Bren gun.
De Bren gun was een uitstekend wapen maar de Engelsen verwachten van het wapen dat deze ook als middelzwaar machinegeweer te gebruiken was.
De Duitsers gebruikten de lichte machinegeweren, voorzien van een driepoot, in een vergelijkbare rol maar de Engelsen hebben te veel van de Bren gun verwacht.
De Japanse infanterie was een vreemde mix van uitstekend tot absurd.
Het Nambu lichte machinegeweer was bijvoorbeeld een uitstekend wapen maar omdat de infanterie sectie te groot en te log was, dit was ook het geval bij de infanterie van Italië, waren er te weinig machinegeweren.
De Japanners hadden uit de ervaringen van de Russisch – Japanse oorlog (1904 – 1905) een geheel eigen stijl van infanterie tactieken ontwikkeld.
Het waren meesters in de kunst van het infiltreren, en dan bijzonder in het donker van de nacht.
Het aanvallende peloton liet een sectie positie innemen tegenover de verdediger.
Deze sectie begon de verdediger te benaderen met gebruik van vuurkracht en vuurwerk waardoor de verdediger de indruk kreeg dat er een aanval werd voorbereid.
Veel verdedigers begonnen dan terug te schieten waardoor de positie van de verdediger werd verraden.
In de tussentijd kroop de rest van het Japanse peloton langs de flanken van de verdediger en begon zich achter de verdediger in te graven.
Daarmee werd de verdediger afgesloten van het achterland.
De verdediger werd daarmee gedwongen een weg te vechten door de ingegraven Japanse positie of liep in een hinderlaag als het probeerde terug te trekken.
De Chinezen hebben deze tactiek van de Japanners geleerd en gebruikte het met dodelijk effect tegen de Amerikanen in 1951 en tegen de Indiërs in 1962.
Als deze techniek geen resultaten opleverden volgde een frontale “Banzai” aanval op de positie die de infiltratie had afgeslagen.
Deze aanvallen zijn te vergelijken met de aanvallen van 1914 – 1917 met het verschil dat de Japanners schoten tijdens de charge.
Deze primitieve combinatie van vuurkracht met beweging had niet veel verliezen bij de verdediger tot gevolg maar diende om het gericht schieten van de verdediger te hinderen.
Tegenover de Chinezen betekende een “Banzai” charge het hoogtepunt van de dag, mocht de charge falen dan werd er wel een zwak punt in de verdediging gevonden waardoor geïnfiltreerd kon worden.
Tegen de Westerse machten eindigden deze aanvallen in bloederige nederlagen, meer dankzij de vuurkracht van de ondersteunende wapens dan door de vuurkracht van de infanterie van de Westerse machten zelf.
De Japanners beschikten, in praktische zin, niet over machinepistolen.
Dit bleek een waardevol wapen te zijn bij de gevechten in de jungle.
Onder deze omstandigheden is het vaak noodzakelijk een grote hoeveelheid lood in de algemene richting van een tegenstander te sturen die je niet kunt zien.
Het gebrek aan bereik en precisie was niet van belang in de jungle.
Omdat ieder eigen initiatief werd ontmoedigd was de Japanse infanterie sterk afhankelijk van oplossingen volgens het boekje.
Kwam de Japanse infanterie in een situatie terecht die niet voorzien was dan hadden ze vaak geen idee wat te doen.
Om de vernedering van een terugtocht te vermijden volgde een “Banzai” charge.
Psychologisch hadden de Japanners enkele tekortkomingen.
Zoals de Fransen gedaan hadden in 1914 werd er veel van moed en motivatie verwacht.
Alle moed en alle motivatie in de wereld zal geen kogels of granaatscherven stoppen maar het maakte de Japanse infanterie tot vasthoudende verdedigers.
Ze maakten gebruik van versterkte weerstandnesten rond grotten of bunkers welke alleen ingenomen konden worden met behulp van vlammenwerpers en explosieve ladingen.
Wat ook vaak gebeurde is dat de Westerse Machten de grotten afsloten met behulp van bulldozers.
Er werd ook gebruik gemaakt van individuen welke positie namen in bomen of zogenaamde “spinnengaten”, diepe schuttersputten voor een of twee man.
Deze begonnen van dichtbij te schieten, vaak van achteren, en konden op deze manier grote aantallen vijandige troepen voor een aanzienlijke tijd bezig houden.
Vanwege de slechte communicatie middelen die de Japanse infanterie ter beschikking stond was het niet mogelijk om zware wapens deze acties te laten ondersteunen.
De laatste nagel in de doodskist van de Japanse infanterie was de uiterst gebrekkige schiet resultaten van de individuele soldaat.
Van de Amerikaanse infanterie is de bewapening het meest opvallend.
Deze was uitgerust met het uitstekende M-1 halfautomatische geweer.
Machinepistolen werden nagenoeg niet uitgereikt en als groepswapen werd de BAR (Browning Automatic Rifle) gebruikt.
Met deze samenstelling miste de Amerikaanse sectie de invloed van automatische wapens.
De Amerikaanse infanterie was zich hiervan bewust, in tegenstelling tot die mensen achter gepantserde bureaus in Washington, en begonnen zich “onofficieel” uit te rusten met aanzienlijke aantallen machinepistolen.
Dit gebrek aan automatische wapens was niet zo ernstig als het had kunnen zijn.
Het uitstekende Amerikaanse communicatie systeem maakte het namelijk mogelijk voor iedere soldaat met een radio om een massale concentratie aan ondersteuning op te roepen.
Dit heeft tot gevolg gehad dat de infanterie vertrouwen moest op de vuurkracht van ondersteunende mortieren, machinegeweren, artillerie en uit de lucht in plaats van de eigen vuurkracht.
Helaas heeft dit in veel gevallen er toe geleidt dat de infanterie afhankelijk werd van vuurkracht van ondersteunende eenheden.
De Engelsen, die na 1942 over een soortgelijk communicatie systeem beschikten, hebben deze afhankelijkheid vermeden.
Was de Amerikaanse infanterie op zichzelf aangewezen dan waren ze minder efficiënt, sectie voor sectie, dan de Duitse tegenstanders.
Dit omdat de Amerikanen niet de fijne details van infanterie tactieken hadden uitgewerkt zoals de Duitsers dit hadden gedaan aangezien, enigszins gerechtvaardigd, de massale vuurkracht van de artillerie infanterie tactieken minder belangrijk maakte.
Zolang het systeem van het inroepen van ondersteuning volledig in gebruik was, was de Amerikaanse infanterie niet te verslaan.
Daar waar het niet mogelijk was, of niet gebruikt werd, was de Amerikaanse infanterie in de problemen.
Een van de redenen waren de gebreken binnen de bevelstructuur.
Veel van de Amerikaanse lagere commandanten begrepen, ondanks de lange opleiding, niet goed wat er van hen verwacht werd.
Dit werd versterkt door de hoge waarde die door Amerikanen aan een menselijk leven wordt toegekend.
De commandanten probeerden de troepen zo min mogelijk aan gevaar bloot te stellen.
Het gevolg was dat Amerikaanse eenheden al snel dekking zochten door enkele granaat inslagen, een verborgen machinegeweer of een sluipschutter.
De manschappen zochten dekking en riepen de hulp van de ondersteunende eenheden in om daarna voorzichtig de opmars voort te zetten met gebruikmaking van vuurkracht, beweging en het terrein.
Dit ging allemaal te langzaam voor een Amerikaanse generaal, George S. “Blood and Guts” Patton.
Patton zag liever dat de infanterie in beweging bleef.
Hij introduceerde “marching fire”, een primitieve combinatie van beweging en vuurkracht.
Het komt er op neer dat de infanterie zich opstelt in een schermutselende linie, zoals in de eerste wereldoorlog, waarbij iedere mogelijke vijandige positie door vuurkracht wordt doorzeefd.
Tegenover de kleine Duitse garnizoenen van 1944 was dit een effectieve tactiek maar tegenover een gelijkwaardige tegenstander was dit een uitnodiging voor een rampzalige nederlaag.
De meeste Amerikaanse infanteristen hadden een hekel aan “marching fire”.
Het was een over-reactie op de Amerikaanse angst om verliezen te lijden.
De Amerikanen beschikten over een andere compleet zelfstandige infanterie macht, de marines.
Deze hechten minder waarde aan het voorkomen van verliezen en beschikten over geheel andere tactische inzichten.
Gezien de amfibische aard konden ze niet vertrouwen op het inroepen van ondersteunende eenheden zoals de infanterie dit kon.
De marines moesten kunnen vertrouwen op de eigen vuurkracht.
Aanvankelijk waren ze uitgerust met het Springfield grendelgeweer tot begin 1943, maar de marines werden zich snel bewust van de noodzaak van automatische wapens.
Ze verdeelden de secties in drie, drie mans “fire-teams”, ieder team uitgerust met een BAR.
Het “fire-team” concept verschafte de marines de mogelijkheid om met kleine groepen vuurkracht en beweging te combineren.
De marines kenden daarom een enorme flexibiliteit in het toepassen van tactieken.
De infanterie zou dit concept later overnemen maar hadden slechts een derde deel van de noodzakelijke BAR’s.
De sectie werd daarom verdeeld in drie verschillende teams, able-baker-charlie, die ieder een eigen specifieke opdracht te vervullen hadden.
Het able-team bestond uit twee verkenners die voor de sectie uitgingen om de positie van de tegenstander vroegtijdig te lokaliseren.
Was deze positie eenmaal gelokaliseerd dan diende de sectie leider een inschatting te maken van de ontstane situatie en aanwijzingen te geven aan zijn sectie.
Samen, de verkenners en de sectie leider, vormde het able-team het bevelende element van de sectie.
Het baker-team, vier man met de BAR, diende vervolgens een positie in te nemen waaruit dit team de positie van de tegenstander onder vuur kon nemen met als doel te beletten dat de tegenstander terug kon schieten, het vuurkracht element van de sectie.
Van het charlie-team, vijf manschappen, werd verwacht dat het de positie van de tegenstander naderde en uiteindelijk de positie bestormden, het bewegende element van de sectie.
Dit bleek in de praktijk zelden werkbaar, de teams waren over gespecialiseerd in tegenstelling tot het concept van de marines.
Bovendien zouden de Amerikaanse sectie leiders snel in hun inschatting van de situatie terug vallen op het inroepen van hulp van de ondersteunende eenheden.
Het “fire-team” concept zou na de oorlog een universeel geaccepteerd concept voor de infanterie worden.
De Duitsers die de Amerikanen tegemoet traden in 1944 waren van een andere orde dan de Duitsers van 1940.
Deze bevonden zich in een situatie die te vergelijken is met die van de Russen.
Ze konden niet vertrouwen op de ondersteunende eenheden.
De massa aan artillerie van de Westerse machten was in staat de artillerie van de Duitsers het zwijgen op leggen.
Het overwicht in de lucht van de Westerse machten voorkwam dat de massa aan munitie die nodig was voor de Duitse artillerie het front bereikte.
Zoals de Russen, en anders dan de Amerikanen, werden de Duitsers gedwongen te vertrouwen op de vuurkracht van de infanterie om de gevechten voort te zetten.
De Duitsers verhoogden de vuurkracht door het wijdverbreide gebruik van mortieren en machinepistolen en werden zeer behendig in vertragende tactieken.
Deze tactieken hadden niet tot doel een gebied te behouden maar verschaften tijd aan de Duitse strijdkrachten om zich terug te trekken en te hergroeperen.
Het gevolg hiervan was dat de Duitse infanterie, in de aanval en in de verdediging, het belangrijkste onderdeel van het Duitse leger zou worden gedurende het laatste jaar van de tweede wereldoorlog.